Nieuwsbrief per mail ontvangen

Let op: je moet je aanmelding bevestigen per mail

© Skiinformatie.nl

ONDERZOEK: Föhnwind liet gletsjers in laatste ijstijd extreem snel groeien

Een Föhn is een warme en droge wind, die met regelmaat aan de noord- en zuidkant van de Alpen waait. Een föhnwind kan de temperatuur flink laten stijgen, maar kan ook voor gigantische neerslaghoeveelheden zorgen. En laat dit nou een mogelijke oorzaak zijn van de extreme gletsjergroei in de Alpen zo’n 25.000 jaar geleden.

Dat is het resultaat van een uitgebreid onderzoek in de Obir-grotten in Bad Eisenkappl in Karinthië. Uitgevoerd door wetenschappers van de Universiteit van Innsbruck en gisteren gepubliceerd in het gerenommeerde tijdschrift “Nature Communications”.

Hoogtepunt laatste ijstijd

Het blijft iets bijzonders, nadenken over wat er duizenden jaren geleden heeft plaatsgevonden op onze aardbodem. We zijn er zelf niet bij geweest, maar dankzij de bevindingen van verschillende wetenschappers weten we steeds een beetje meer. Lang geleden bestond een groot deel van de aarde uit gletsjers, sneeuw en ijs. Wat al lange tijd bekend is, dat de gletsjers tussen de 25.000 en 20.000 jaar geleden extreem hard groeiden. In deze tijd bereikte de laatste ijstijd, die in totaal zo’n 100.000 jaar duurde, haar hoogtepunt. Om je een idee te geven: in sommige gebieden in Noord-Europa, Noord-Afrika en Noord-Azië was het ijs toen kilometers dik en lag het zeeniveau wel 125 meter onder het huidige niveau. Hoe dit zo is gekomen is nog altijd onderwerp van discussie, maar onderzoekers van de Universiteit van Innsbruck hebben inmiddels wel een sterk vermoeden.

Onverwachte mineraalsporen

Tijdens het onderzoek in de grotten van Obir hebben de wetenschappers onverwachte mineraalsporen gevonden die teruggaan naar het hoogtepunt van de laatste ijstijd. Deze bijzondere calcietkristallen tonen aan dat zware sneeuwval reden was voor de extreme groei van de gletsjers. Deze kristallen vormen zich in ijsgrotten bij temperaturen net onder nul en dit laat dus zien dat de permafrost boven deze grotten langzaam opwarmde. En dat in een van de koudste periodes van de laatste ijstijd! Opwarming van het klimaat kan dus worden uitgesloten en daarom is er volgens de wetenschappers maar één andere verklaring voor dit bijzondere fenomeen. In de periode tussen 26.500 en 23.500 jaar geleden moet er gigantisch veel sneeuw gevallen zijn. Sneeuw werkt isolerend en waar veel ligt, ligt geen permafrost.

Föhnwind als oorzaak

Volgens de wetenschappers hebben zuidelijke winden in die periode grote hoeveelheden sneeuw gebracht. Oftewel: belangrijk voer om de gletsjers uiteindelijk mee te laten groeien. Een van de onderzoekers, Christoph Spötl, laat weten. “Een sneeuwdek van ongeveer een halve meter of meer heeft een sterk isolerend effect, het schermt de grond eronder af van de zeer koude winterlucht en leidt zo tot een verhoging van de temperatuur onder de grond. Hierdoor is de permafrost in de grotten van Obir geleidelijk aan ontdooid. Dit resultaat is vandaag de dag zichtbaar in de vorm van calcietkristallen.”

Nu is vooral de Noord-Atlantische Oceaan een belangrijke bron van neerslag, maar die was toen compleet dicht gevroren. Daarom stellen de wetenschappers dat een sterke zuidelijke stroming, oftewel föhnwind, de oorzaak is van de groei van de gletsjers in de Alpen in dit tijdperk. De wetenschappers gaan nu ook kijken of ze deze kristallen in andere Oostenrijkse grotten kunnen vinden. Volgens hen is het een kwestie van tijd tot deze worden gevonden.

Nieuwsalerts ontvangen?

Schrijf je in